Woensdagavond, kwart voor negen. Aan de keukentafel zat een jongen van twaalf met drie toetsen in zijn agenda: Engels op dinsdag, biologie op woensdag en wiskunde op donderdag van de week erna. Zijn moeder had het schrift van wiskunde al drie keer opengeslagen en weer dichtgedaan. "Ik weet niet waar ik moet beginnen," zei hij. Dat is eigenlijk de hele vraag. Voor een leerling in 1 vmbo-t met drie toetsen volgende week werkt een planning van vier korte leermomenten van ongeveer 25 minuten per toets, verspreid over zeven dagen. Dat is samen 300 minuten, dus gemiddeld iets meer dan 40 minuten per dag.
Waarom vier en geen twee lange blokken? Omdat een brein van twaalf of dertien jaar na een half uur flink minder opneemt, en omdat stof dat je vaker en korter herhaalt beter blijft hangen dan stof dat je in één avond probeert te proppen. Dat het werkt, ziet iedere docent die leerlingen vergelijkt die op zondagavond een hoofdstuk doorlezen met leerlingen die vanaf woensdag elke dag een kwartier of half uur oefenen. De tweede groep haalt meestal een hoger cijfer en vooral minder stress. Begin met de toets die als eerste komt, maar start ook met het vak dat het moeilijkst voelt, want daar is de meeste oefening nodig.
Hoe ziet dat er concreet uit? Neem donderdag als startdag en werk toe naar de toetsen. Op donderdag doe je 25 minuten Engels (woordjes en grammatica) en 25 minuten wiskunde (sommen). Op vrijdag volgen 25 minuten biologie, waarbij je de stof samenvat, en 25 minuten Engels. Zaterdag is voor wiskunde en biologie, met een oefentoets zonder boek. Zondag is een lichte dag met 25 minuten Engels en 25 minuten wiskunde. Op maandag loop je alle drie de vakken nog één keer langs, ongeveer 25 minuten voor Engels en 25 minuten voor biologie, zodat Engels de dag erna vers is. Na de Engelstoets op dinsdag gaat de avond naar biologie (25 minuten), na de biologietoets op woensdag naar wiskunde (25 minuten). Zo kost het in totaal twaalf blokken en loop je nooit een avond met alles tegelijk achter de feiten aan.
Een paar dingen maken deze planning succesvol. Schrijf haar op een papier dat zichtbaar hangt, bijvoorbeeld op de koelkast of naast het bureau, en laat je kind de dagen afstrepen. Dat geeft houvast en voorkomt discussie over wat er vandaag moet. Zet een timer van 25 minuten en laat daarna vijf minuten pauze nemen, zonder telefoon in de buurt. Laat je kind aan het einde van elk leermoment drie dingen opschrijven die het onthouden heeft. Dat kost twee minuten en is een van de beste manieren om te zien of iets er is blijven hangen. En check na de eerste dag of de planning realistisch is: heeft je kind sport of een afspraak, schuif dan het blok naar een andere dag, maar laat het niet vervallen.
Wat als het mis gaat? Dan is dat geen ramp. Mist je kind een leermoment omdat het ziek is of het vergeten is, kijk dan of het blok in het weekend ingehaald kan worden. Lukt dat niet, schrap dan het onderdeel dat het minst zwaar weegt, bijvoorbeeld een paragraaf die bij de toetsstof hoort maar waarvan de docent heeft gezegd dat die niet erg belangrijk is. Het belangrijkste is dat je kind elke dag iets doet, en dat het voelt dat het stap voor stap de stof onder de knie krijgt.
Terug naar die woensdagavond. We hebben de agenda erbij gepakt, de drie toetsen op een rij gezet en samen de zeven dagen ingevuld. Het schrift van wiskunde ging open op de eerste oefening, en die jongen deed er niet langer over dan een kwartier. Daarna zei hij: "Oh, dit is minder erg dan ik dacht." Dat is wat een goede planning doet. Ze maakt van een berg die je niet durft te beklimmen een rij kleine stappen waar je gewoon aan begint.